|
|
VoorgeschiedenisDe hoeve Papinglo, gelegen op de hoogte van Kleit, in het landboek van Maldegem “Clethil” genaamd, herinnert aan de vroegere proosdij van Papinglo, gesticht door de Sint-Baafsabdij van Gent. Heeft
het bestaan van deze proosdij een rechtstreeks verband met de oprichting van de
latere parochie Kleit? Eigenlijk
niet. Wel hebben de eeuwenlange inspanningen voor de ontginning van de streek,
geleverd door de monniken, en vanaf 1537 door het bisdom Gent de werkgelegenheid
en de bewoning bevorderd in deze afgelegen woeste streek. D.
Verstraete en G. De Smet schrijven zelfs dat de Sint-Baafsabdij weinig nut had
van haar proosdij en de oprichting ervan eerder moet gezien worden als een
uiting van welstand en machtsvertoon. Inderdaad,
reeds in het begin van de 15de eeuw hadden de heren begrepen dat ze
te hoog gemikt hadden: vanaf 1422 lieten ze het goed verpachten. Toch
is er in deze periode een goede verstandhouding met de plaatselijke bevolking:
Sint-Maartenskermis op Papinglo was een jaarlijkse attractie. Vanaf
1187 tot 1537 konden de omwonenden mis horen in de kapel van de proosdij. Reeds
in 1476 werd de kapel verkleind. Vanaf 1537 is er geen bedienaar meer en geraakt
het bouwwerk helemaal in verval. In
de tweede helft van de 18e eeuw wordt onder Prins De Lobkowitz,
bisschop van Gent, de ontginning van de heide terug op grootse manier aangevat. De
bisschop “vercijnsde” heel wat gronden (de nieuwe eigenaar van de gronden
bleef een “cijns” schuldig), met het doel er bruikbaar akkerland van te
maken. De cijnspachters trokken op hun beurt mensen aan om het werk uit te
voeren. Dit
zou vanzelfsprekend vlotter verlopen als van Kleit een parochie met eigen kerk
en priester zou gemaakt worden. Toen
in 1784 de Ede buiten haar oevers trad en de verbinding met Maldegemse
onmogelijk werd, maakten de pachters en eigenaars van de gelegenheid gebruik:
gesteund door de plaatselijke bevolking vroegen zij de Brugse bisschop een
succusale kapel op te richten in Papinglo en ze te laten bedienen door een
Maldegemse onderpastoor. Men
stelde Papinglo voor al vestiging voor een nieuwe kapel, en niet Kleit zelf
omdat Kleit heel wat dichter bij Maldegem lag en de kans op slagen daar heel wat
geringer was. De
Maldegemse pastoor De Fonteyne voelde het gevaar van een eigen, Kleitse parochie
en vroeg daarom zélf en bijkomend onderpastoor aan. De
bisschop keurde beide voorstellen, kapel en onderpastoor, goed: de kosten zouden
toch door de tiendeheffers van Harelbeke en de grote eigenaars gedragen
worden… De voorstanders van kapel en eigen priester zetten hun eisen kracht
bij met petities en tellijsten; de Maldegemse pastoor en de kapittelheren van
Harelbeke waren beducht voor de kosten… Verschillende
jaren werd er over de zaak geredetwist: er kwamen voorstellen en
tegenvoorstellen, er werd geruzied over de juiste afstand tussen Kleit en
Maldegem, er werd beroep gedaan op de baljuw van Knesselare, maar niets hielp! In
1794 bevonden de partijen zich in een echte patstelling: allen waren principieel
akkoord met de oprichting van een kapel, maar telkens andere voorwaarden. In een
brief van 1795 geven terug een zestigtal Kleitenaars, een ruime meerderheid van
de bevolking, hun wil te kennen een priester en een kapel te krijgen op hun
wijk. Al
bleven de kapittels verder bestaan tot 1797, hun aanvraag had geen schijn van
kans meer. De Franse bezetting maakte vanaf 1794 een eind aan de feodale
structuren. Voortaan zou de gemeente moeten opdraaien voor het financieren van
een kapel en een priester. Deze had er echter de middelen niet toe. Daarbij kwam
nog dat pastoor De Fonteyne weigerde de eed af te leggen en de Maldegemse kerk
gesloten werd… De kansen voor een kapel op Kleit waren onbestaande geworden. Misschien
nog een geluk dat er van die kapel niets in huis kwam; was er ooit die gekomen,
dan zou Kleit in 1857 misschien nooit een zelfstandige parochie geworden zijn… De oprichting van de parochieEind augustus 1856 verscheen in de Eeclonaar het bericht dat “verscheidene invloedrijke persoonen zich hebben vereenigd en beslooten om onder de vereischte goedkeuring eene kerk met pastory te bouwen binnen het Maldegemsche gehucht Kleit”. Het
bericht bleek gegrond te zijn: op 20 november 1856 schreef de Gentse bisschop
naar de gouverneur van de provincie om hem zijn mening te vragen over het
rekwest dat hem vanuit Kleit was toegezonden en waarin de oprichting werd
gevraagd van een succursale kerk en pastorie te Kleit. Volgens de Kleitse
rekwest was er in heel Vlaanderen geen gehucht waar een kerk meer nodig was dan
te Kleit. Onderpastoor
Van de Velde van Eeklo had reeds via een tussenpersoon een terrein weten te
verweren van 1 ha 25 ca en stond zelf borg voor een bedrag van tenminste 16.000
frank dat hij door “souscriptiën” had weten bij elkaar te krijgen. De
totale kosten voor kerk en pastorie werden geschat op 40.000 frank, zodat de
inwoners van Kleit voor ernstige financiële problemen stonden, want zij zouden
zelf moeten instaan voor de rest van het vereiste bedrag. Na
een ongunstig advies van de Maldegemse gemeenteraad en van de Maldegemse
kerkfabriek werd de oprichting van de parochie toch goedgekeurd op voorwaarde
dat er een kleine grenscorrectie werd doorgevoerd. Door
de oprichting van de parochie verloor de Sint-Barbaraparochie haar derde
onderpastoor, dit ondanks hevige protesten van pastoor Vinckier. Deze hoopte dat
bij een eventuele toename van de Maldegemse bevolking de derde onderpastoor nog
te kunnen “recupereren”. Vooral onderpastoor Van Genachte wou hij in
Maldegem houden, daar hij zich zo goed met het onderwijs inliet. Dat een andere
onderpastoor Maldegem zou moeten verlaten, kon pastoor Vinckier uiteindelijk
maar weinig meer schelen: het was immers een “homme plein d’arrogance et de
mensonges, sur qui on ne gagne rien et c’est pourquoi que je laisse
tranquille”. De
strijd was dus gestreden: bij KB van 24 april 1857 werd de parochie Kleit
definitief opgericht. De pastoor kreeg een wedde van 787,50 frank, de
kerkfabriek diende onmiddellijk te worden samengesteld. Vanaf het moment dat de
Kleitse pastoor in dienst kwam, zou de wedde van de derde Maldegemse
onderpastoor niet meer uitbetaald worden. Het
was de Eeklonaar Engelbert Bocxtael die als grote weldoener van de parochie
wordt vernoemd. Hij was het eigenlijk die via onderpastoor Van de Velde de grond
had geschonken waar de latere kerk zou verrijzen, en die ook zou bijdragen in de
verdere kosten. Pastoor
Van de Velde schonk eveneens een groot deel van zijn vermogen aan “zijn”
parochie. De eerste steenleggingOp donderdag 4 mei 1857 – het was Maldegem jaarmarkt – werd de eerste steen van de te bouwen kerk gewijd oor bisschop Delebecque, die werd vergezeld door deken Van Oeckel uit Eeklo en door de toekomstige pastoor Van de Velde. Vele notabelen voegden zich in het centrum van Maldegem bij het hoge gezelschap om stoetsgewijs naar Kleit te trekken. Op
de grens van de nieuwe parochie had zich een Kleitse stoet gevormd, “eenen
waren praalstoet om hen binnen het feestende gehucht te brengen”. Na
de wijding van de eerste steen op de plaats waar de kerk zou worden gebouwd,
bezocht de bisschop met zijn gezelschap enkele belangrijke grote Kleitse hoeven,
kwestie van een beetje goodwill aan te kweken bij de grootgrondbezitters. Op de
hofsteden van de heren Dhondt en Eggermont ontmoette de bisschop de reeds
vernoemde weldoener Engelbert Bocxstael in het gezelschap van de al even bekende
schenker Ridder Stroo uit Eeklo. Ook burgemeester De Smet van Maldegem en
raadslid Paterson-Dhondt, de aanstaande kerkmeesters en meer notabelen
onderhielden zich gemoedelijk met de kerkprins. Pastoor Vinckier en de eerste kerkOp 9 mei 1857 benoemde de bisschop de eerste Kleitse kerkmeesters: Karel De Neve, landbouwer, Karel Lodewijk Van Doorne, landbouwer, Ferdinand Bottelier, kantonnier. De gouverneur benoemde Jacobus Lambrecht en Pieter Jacobus Perqui. Samen met de burgemeester en de pastoor vormden deze heren de eerste kerkraad van de nieuwe parochie. Ze vergaderden voor het eerst op 24 mei 1857, na de vespers in de zondagsschool. In
mei 1858 liet pastoor Vinckier aan de ondertussen benoemde pastoor Van de Velde
weten dat hij een huis met de grond aan de pastoor wou schenken in ruil voor
jaargetijden en een obligatie ten bedrage van 800 frank, waarvan de opbrengst
gebruikt moest worden als schadeloosstelling voor de mensen in wiens huisjes de
zondagsschool plaatshad en ook om op verschillende Maldegemse wijken huisjes te
kopen of te huren waarin zondagsschool zou worden gehouden. De bomen op de
eigendom werden aan het Maldegemse Sint-Vincentiusgenootschap geschonken. Pastoor
Van de Velde wou echter van die schenking niets weten: de Maldegemse liberalen
zouden wel eens kunnen denken dat Vinckier die 800 frank voor zichzelf zou
houden, anderen zouden die persoonlijke schenking wel vreemd vinden en ze waren
in staat hun eerder gedane “souscriptie” ongedaan te maken. “On
trouve partout des hommes rusés”, meende Van de Velde. Vinckier
besluit dan het huis aan de Kleitse kerkfabriek te schenken in plaats van aan
Van de Velde. Zo konden zeker geen opmerkingen gemaakt worden “et les braves
gens seront contents”. Zo
gebeurde het dan ook. Vinckier deed de schenking “voor het stellen van de
provisoire kerke tot dat de nieuwe kerke gebruybaar zal zijn”. Aan de gebouwen
mocht niet worden gewijzigd en de inwendige versieringen waren ten laste van de
pastoor. In feite hebben we hier dus te doen met de eerste voorlopige Kleitse
kerk waar de gelovigen voor het eerst de heilige mis konden bijwonen. De houten kerkOndertussen was men in Kleit volop bezig met het optrekken van een houten kerk. Begin 1858 zag de kerk er als volgt uit: “Men is hier tegenwoordig bezig aan het voltrekken van de tusschentijdige kerk. Deze kerk wordt door de Kleitenaars en op zijn Kleitsch opgemaakt, dat is eenen gansch eigenaardige bouworde. Het gansche gebouw wordt in sperrenhout opgetimmerd: wanden, pylaren en inwendige samenstelling. De wanden zijn als ene horde gevlochten, eerstdaagsch worden zij bestreken met kleiaarde en, na drooging, gewit. Het is de moeite weerd om de konstigheid en de schoonheid van dit gesticht te zien, ook komen vreemdelingen er naar toe om hetzelve te bewonderen”. De
pastorie, gebouw door de gebroeders Claessens uit Eeklo, was ondertussen klaar.
Pastoor Van de Velde “heeft daar reeds verschillige dagen der week, tot groot
genoegen der Kleitenaars, in doorgebracht”. De
voorlopige kerk werd op 25 juli 1858 door deken Van Oeckel ingewijd. Ondanks de
Kleitse manier van bouwen had het heel wat voeten in de aarde gehad eer de
burgemeester van Maldegem de toestemming kon geven om het gebouw als kerk te
gebruiken. Op
dezelfde dag van de wijding werd het besluit van de oprichting van de parochie
Kleit én in Kleit zelf én in Maldegem in alle missen voorgelezen. De
Sint-Vincentius-à-Paulo parochie was definitief opgericht. Het was bisschop
Delebecque die deze heilige voor Kleit had uitgekozen: bij zijn eerste bezoek
aan het gehucht had hij zich de visu kunnen overtuigen van de armoedige
omstandigheden waarin de meeste Kleitenaars vertoefden: meer hutten dan huizen,
er werd nog steeds aan “bosschenderij” gedaan (het snijden van berkenhout),
er gingen nauwelijks kinderen naar school, enz. Kleit kon dus best
Sint-Vincentius gebruiken, meende de bisschop. Toch
vraagt pastoor Van de Velde later dat de parochie zelf (dus niet de kerk) onder
de bescherming zou geplaatst worden van de Heilige Maarten: “je crois que
cette demande serait aussi la demande de la plus grande partie de mes
paroissiens, toujours Saint-Martin a été célébré ici et il paraît que
Saint-Martin était le Patron de ce lieu du temps que Cleyt était constitué en
paroisse (sic!) vers onzième siècle”. De definitieve kerkZoals men in “De geschiedenis van Kleit” van onderpastoor De Smet kan lezen, verliep het bouwen van de Kleitse stenen kerk beslist niet van een financieel leien dakje. In
oktober 1858 zat pastoor Van de Velde werkelijk in de put. Bij de tweede
aanbestding zat de laagste bieder met 43.750 frank toch nog altijd ruim boven de
geschatte 37.000 frank. De
kerkfabriek was dan links en rechts gaan informeren of de kerk niet in regie kon
worden gebouwd. Een vertrouwensman meende dat de kerk op die manier hoogstens
40.000 frank mocht kosten. Van
de Velde bleef niet bij de pakken zitten. Daar hij nog onderpastoor van Eeklo
was geweest, zocht hij Ridder Stroo op die wel luisterde naar de pastoor, af en
toe ook iets tussenbracht, maar niet over de brug kwam. Naar bisschop Delbeque
schreef een wanhopige pastoor dat hij vertrouwen had in God, doch indien
Monseigneur een andere te volgen weg kon aanduiden, “nous sommes prêts à la
suivre”. De
pastoor had ondertussen de pastorie aan de kerkfabriek geschonken. De
aanbesteding van de kerkvloer en van de toren volgden. Niet zonder financiële
problemen! In 1862 schrijft Van de Velde daarover een lange brief naar de
bisschop waarin hij deze vooreerst bedankt voor het geld dat hij aan de armen
van zijn parochie schonk. Van de Velde wil zijn kerk in 1862 afgewerkt zien.
Overal vroeg hij subsidies en hij vraagt de bisschop ook eens te willen
tussenkomen bij de autoriteiten. De Kleitse kerkfabriek verkeert in de
onmogelijkheid ook maar iets bij te dragen, de Kleitenaren zelf zijn te arm om
een beroep op te doen en het gemeentebestuur kijkt ook al tegen de bodem van de
kas aan. Pastoor
Van de Velde hoopt op de inschrijvingen van “buiten-Kleitse” mensen. Hij
vindt echter dat de regering de vloer maar moet betalen. Is zijn kerk ook geen
monument? Van de buitengewone subsidie die de Kamerleden stemden om kerken in
het land te restaureren of af te werken, wil de Kleitse pastoor “sa part du gâteau”. Blijkbaar
slaagde de pastoor erin zijn deel van de subsidiekoek te bemachtigen, of
alleszins op een andere manier om aan geld te geraken, want in juni 1863 werd de
“torennaalde” afgewerkt en daarmee was de kerk voltooid. Binnenin echter
wachtte de kerk op “nieuwe liefdewerken” om verbeterd te worden. Op
maandag 5 oktober 1863 kwam bisschop Delebecque de kerk inwijden. De kerkvorst
werd om 9 uur in het Maldegemse centrum afgehaald door “al de landbouwers met
hunnen zonen en dienstboden, te peerd en op hun zondagsch gekleed, sommige ook
in geestige kostumen”. Inrichting van het kerkgebouwZoals
wel meer het geval was met kerken die in de 19e eeuw werden gebouwd,
werd ook de Kleitse kerk gestoffeerd met heel wat meubilair en andere voorwerpen
afkomstig uit andere kerken.
Het
hoofdaltaar in barokstijl draagt op het deurtje van het tabernakel het jaartal
1736. De herkomst van dit vrij mooie altaar kon, hoe eigenaardig het ook moge
klinken, tot nu toe nog niet achterhaald worden. Beelden van het geloof en hoop
flankeren het tafereel van het Laatste Avondmaal op de afsluitwand van het
tabernakel. Boven
het altaar hangt het schilderij voorstellend “de profeet Elias”, die op zijn
zwerftocht gevoed wordt door een raaf met broodje in de bek, symbolische
voorstelling van de Eucharistie. Links onderaan is de auteur vermeld: Pecher.
Het ontbreken van een voornaam belet een definitieve identificatie. Het
schilderij is mogelijks van de hand van Jules Romain Pecher. Hij werd geboren in
1830 in Antwerpen, waar hij in 1899 overleed. Hij schilderde genrestukken en
historische taferelen. Hij
is meer bekend als beeldhouwer dan als schilder. Het is mogelijk dat de
Belgische Staat dit werk aankocht op een salon in Brussel, om het op 10 november
1860 aan de Kleitse kerk te schenken. Pastoor Vermeersch, overleden in februari
2000 en laatste pastoor van Kleit, liet het doek restaureren. Het
hoofdaltaar wordt verder bekroond door een in grisaille geschilderd
sjabloonbeeld van de Zaligmaker. Vele
jaren terug was het hoofdkoor, en trouwens de hele kerk, overvloedig versierd
met muurschilderingen. Later werden deze neogotische versieringen overschilderd
en kwamen er in het koor twee geschilderde engelen voor in de plaats. Ook die
zijn ondertussen verdwenen, net als de Latijnse tekst, die vervangen werd door:
“Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt”. Het “Jezus wacht ons” bleef
gelukkig behouden. Door deze versobering en de versiering komt het hoofdaltaar
beter tot zijn recht, anderzijds ging veel symboliek verloren. De aanbiddende
engelen verdwenen, de beelden van de vier evangelisten bleven gespaard. De
twee marmeren zijaltaren zijn van de hand van ene mijnheer Gillis. Het
Onze-Lieve-Vrouwaltaar werd in 1872 geschonken door de Gentse
grootgrondbezitster Eggermont. De familie Eggermont bezat in Maldegem alleen al
vele honderden hectaren eigendom. Het beeld op het altaar is van Van Biesbroeck. Het
Sint-Antoniusaltaar werd in 1873 eveneens geschonken door dezelfde mevrouw,
samen met nog enkele andere liefdadige personen. De
biechtstoelen werden aangekocht bij de kerkfabriek van Sint-Martinus (Ekkergem)
te Gent. Het fraai ogende orgel komt uit de dekanale kerk van Dendermonde, waar
het door een imposanter instrument werd vervangen. Slechts weinige kerken in de
omgeving kunnen bogen op het bezit van een Van Peteghemorgel! De
kruisweg werd in 1877 opgericht door pater Hugolinus van het klooster te Eeklo.
De Eeklose paters bezaten zowat het monopolie voor het oprichten van kruiswegen
in het Meetjesland.
Het
merkwaardigste en kostbaarste stuk uit de Kleitse kerk is ongetwijfeld de
predikstoel die afkomstig is uit de kerk van Sint-Kruis nabij Brugge. Hij
dateert uit 1666! De kuip is versierd met kunstig gesneden beelden van de vier
evangelisten. De panelen worden van elkaar gescheiden door vrouwenfiguren die op
leeuwenkoppen rusten. Daarboven zien we engelenkopjes en de bovenste randstijl
is versierd met o.a. draakjes en bloemen. Het klankbord is van de kuip
gescheiden door twee hermen. De duif – symbool voor de H.Geest – ontbreekt
niet op de onderkant van het klankbord. De Kleitse preekstoel is een heel mooi
voorbeeld van landelijke, kerkelijke renaissancekunst. Het beeld van de H.
Cornelius onder de preekstoel is van later makelij. Deze was trouwens een vrij
populaire heilige in Kleit. Naast het beeld onder de preekstoel is de heilige
ook nog achteraan in de kerk te zien, en op de zuidkant van de kerkmuur bevinden
zich drie aan hem toegewijde kapelletjes. De H. Cornelius wordt aangeroepen als
patroon van het vee en als beschermer tegen stuipen, vallende ziekte e.a. kwalen
van mens en dier. De verering was zeer intens. De heilige wordt gewoonlijk
afgebeeld met een tiara op het hoofd (wat naar het pausschap verwijst) en een
hoorn in de hand (wat naar het hoornvee verwijst). De
kapelletjesomgang rond de kerk bestaat uit: een kruisbeeld, drie kapellen van de
H. Cornelius, een kapel van de H. Antonius-abt, drie kleine Antonius-kapellen
een beeld van de H. Apollonia. De kapelletjes zijn het werk van de Adegemnaar
Serafien Goethals. Het was pastoor Colman die op het idee van de ommegang kwam
om op die manier de Kleitenaren de lange weg naar Aalter te besparen. Het geheel
werd op 2 september 1899 plechtig gewijd. Het beeld van de H. Apollonia – met
tang en uitgerukte tand – werd in 1900 geplaatst. In Kleit bestond een
bloeiend genootschap van deze heilige. Patroonheilige:
H. Vincentius à Paulo
|